X-Hand

Indicatie/techniek

De X-hand/vinger is een veel aangevraagd onderzoek, met name op de Spoedeisende Hulp. Het onderzoek wordt hoofdzakelijk ingezet voor het aantonen/uitsluiten van een fractuur, bij diagnostiek van (reumatoide) arthritis, en bij functionele hand en polsklachten.

Ter herhaling de anatomische terminologie; volair/palmair (handpalmzijde), dorsaal (handrug), ulnair (pinkzijde) en radiaal (duimzijde). Zie ook figuur  1.

College_Xhand_fig1_terminologieCombi.jpg

Figuur 1. Palmairflexie/volaire flexie vs. dorsaalflexie (dorsiflexie) & radiale abductie vs. ulnaire abductie.

Wanneer gevraagd wordt naar een fractuur dient, zoals bij elke conventionele opname, de hand/vingers in minstens twee richtingen afgebeeld te worden.

Een standaard onderzoek van de hand bestaat over het algemeen uit een posterior-anterior (PA) opname en een PA oblique opname (3/4 opname).
Bij de PA opname ligt hand plat op de röntgenplaat, ter hoogte van de schouder met de elleboog in 90 graden flexie. De röntgenstraling zal via dorsaal-palmair de hand passeren (fig. 2).
Een PA oblique opname wordt op een vergelijkbare manier gemaakt, echter de pols/hand is nu circa 45° naar lateraal gekanteld (fig. 3).

College_Xhand_fig2_techniekPAHand.jpg

Figuur 2. Techniek PA opname hand.

College_Xhand_fig3_techniekObliqueHand.jpg

Figuur 3. Techniek oblique opname hand.

Voor problematiek van de vingers kan een gedetailleerde vinger opname gemaakt worden. Een standaard vinger onderzoek bestaat  uit een PA opname en een laterale opname. Met name bij de vraagstelling fractuur wordt er regelmatig aanvullend een oblique opname gemaakt.
De duim wordt in twee richtingen afgebeeld. Bij de anterior-posterior(AP) opname wordt de arm intern geroteerd zodat uiteindelijk de dorsale zijde van de duim plat op de röntgenplaat komt. De röntgenstraling zal via palmair-dorsaal de duim passeren (fig. 4). Bij de laterale opname van de duim worden de overige vingers naar ulnair geabduceerd en wordt geprobeerd de buitenzijde van de duim zo plat mogelijk op de röntgenplaat te krijgen (fig. 5).

College_Xhand_fig4_techniekAPDuim.jpg

Figuur 4. Techniek AP opname duim.

College_Xhand_fig5_techniekLateraleDuim.jpg

Figuur 5. Techniek laterale opname duim.

Normale anatomie

De menselijke hand bestaat uit 5 vingers. Elke vinger wordt aangeduid met een Romeinse cijfer;

  • Digitis-I (dig-I) = de duim
  • Digitis-II (dig-II) = de wijsvinger
  • Digitis-III (dig-III) = de middelvinger
  • Digitis-IV (dig-IV) = de ringvinger
  • Digitis-V (dig-V) = de pink

De hand/vingers wordt verdeeld over meerdere niveaus (fig. 6):

  • Carpometacarpale (CMC) gewrichten; articulatie tussen de onderdelen van de carpus en metacarpalia.
  • Metacarpofalangeale(MCP) gewrichten ; articulatie tussen metacarpalia en de proximale falangen.
  • Proximale interfalangeale (PIP) gewrichten; articulatie tussen de proximale falangen en middelste falangen.
  • Distale interfalangeale (DIP) gewrichten; articulatie tussen de middelste falangen en distale falangen.

De metacarpalia en falangen zijn korte pijpbeenderen en kunnen verder onderverdeeld worden in een basis, een schacht en een kopje/caput (fig. 6).

College_Xhand_fig6_anatomieXhand_BLANCO.jpgCollege_Xhand_fig6_anatomieXhand_MET.jpg

 Figuur 6 . Normale anatomie van de hand. CMC = carpometacarpale gewricht,  MCP = metacarpofalangeale gewricht, PIP = proximale interfalangeale gewricht, DIP = distale interfalangeale gewricht en IP = interfalangeale gewricht.

Dig II t/m V bestaan uit drie falangen; de proximale falanx, de mid-falanx en de distale falanx (fig. 7). De duim heeft twee falangen (proximale falanx en distale falanx).

College_Xhand_fig7_anatomieXvinger_BLANCO.jpgCollege_Xhand_fig7_anatomieXvinger_MET.jpg

 Figuur 7. PA/laterale/oblique opname. Normale anatomie dig II t/m V. PIP = proximale interfalangeale gewricht, DIP = distale interfalangeale gewricht.

Bij het lichamelijk onderzoek van de hand wordt de bepaling van het niveau soms als moeilijk ervaren. Als hulpmiddel hieronder een overzicht van de anatomie (fig. 8).

College_Xhand_fig8_anatomieHuidCOMBI_BLANCO.jpgCollege_Xhand_fig8_anatomieHuidCOMBI_MET.jpg

 Figuur 8. Normale anatomie van de hand. PIP = proximale interfalangeale gewricht, DIP = distale interfalangeale gewricht,  MCP = metacarpofalangeale gewricht, CMC = carpometacarpal gewricht, S = scaphoïd, L = lunatum, Tri = triquetrum, P = pisiforme, Tm = trapezium, T = trapezoideum, C = capitatum ,H = hamatum.

De carpalia vallen formeel onder de pols en komen uitgebreid aan bod in het college X-pols.

Kenmerken van een normale X-hand/vinger:

  • Symmetrische gewrichten waarbij de beenderen elkaar niet overlappen (m.u.v. de carpalia en de basis van de metacarpalia).
  • De gewrichtsruimte van CMC-gewrichten zijn gelijk (gemiddeld 1 – 2 mm) en vormen een zig-zag configuratie (fig. 9).
  • Het relatief mobiele CMC-I gewricht (zadelgewricht) zorgt voor variatie in de gewrichtsruimte, dit kan ten onrechte aangezien worden voor een (sub)luxatie stand.
College_Xhand_fig9_zigzagPatroon_BLANCO.jpgCollege_Xhand_fig9_zigzagPatroon_MET.jpg

 Figuur 9. Zigzag configuratie CMC-gewrichten. De metacarpalia articuleren proximaal met het os hamatum, os capitatum, os trapezoideum en het os trapezium.

De hand bestaat uit een grote hoeveelheid beenderen, spieren, pezen en ligamenten. De ligamenten /pezen/spieren zijn niet beoordeelbaar met een röntgenopname. Desalnietemin is het belangrijk om hier enige kennis van te hebben. Weke delen letsel kan namelijk in enkele gevallen indirect waarneembaar zijn op een röntgenopname en consequenties hebben voor de behandeling (zie ook onderdeel Pathologie).
De hand heeft een complexe anatomie, hieronder volgt een klein gedeelte over de flexoren en extensoren van de vingers.

Flexoren:

De collaterale ligamenten (= parallelle bindweefselbanden) en volaire plaat verzorgen een groot deel van de stabilisatie van de MCP gewrichten en IP-gewrichten.
De volaire plaat is een fibreuze ligamentaire structuur die zich bevindt aan de palmaire zijde van de hand. Het vormt de scheiding tussen het bot en de flexorpezen en voorkomt hyperextensie van de vinger.
Flexie van dig II t/m V wordt verzorgd door de flexor digitorum superficialis en de flexor digitorum profunda. De flexor digitorum superficialis heeft zijn insertie aan de basis van de middelste falanx en verzorgt de flexie van het PIP gewricht. De flexor digitorum profunda is dieper gelegen, hecht aan op de distale falanx en verzorgt de flexie van het DIP gewricht (fig. 10).
De duim is een uniek gewricht waarbij flexor pollicis longus de flexie verzorgt.

College_Xhand_fig10_anatomieFlexorVinger.jpg

Figuur 10. Flexoren en collateralen ligamenten van dig II t/m V. 

Extensoren:

De extensie van de duim wordt verzorgd door de pees van m. abductor pollicis longus (insertie: basis MC-I), m. extensor pollicus brevis (insertie: basis proximale falanx) en de m. extensor pollicus longus (insertie: basis distale falanx) De tabatière anatomique(= anatomische snuifdoos) wordt gevormd door de extensor pollicis longus aan de ulnaire zijde en de extensor pollicis brevis/abductor pollicis longus aan de radiale zijde (fig. 11).

College_Xhand_fig11_anatomieExtensorenDuim.jpg

Figuur 11. Extensoren van de duim. Tabatière anatomique (*).

Bij de overige vingers is de pees van  m. extensor digitorum communis  de primaire extensorpees. Net distaal van de MCP gewrichten splitst de pees in drie slips. De centrale slips hebben hun insertie op de basis van de middelste falanx. De twee laterale slips komen distaal van het PIP-gewricht bij elkaar en insereren gemeenschappelijk op de basis van de distale falanx (fig. 12).

College_Xhand_fig12_anatomieExtensorCombiLateraal_PA.jpg

Figuur 12. Extensor digitorum communis.

Stappenplan

De onderstaande punten kunnen gebruikt worden als leidraad voor het beoordelen van de X-hand.

  1. Is alles afgebeeld? 
  2. Is er sprake van een weke delen zwelling? Corpus alienum?
  3. Algemene indruk van het bot; osteoporose? Ossale laesies?
  4. Bekijk alle gewrichten. Wat is stand? Zijn de gewrichtsruimten overal gelijk? 
  5. Stand van de CMC-gewrichten; is er een onderbreking van de zig-zag configuratie? 
  6. Loop overal de cortex langs. Is er ergens een onderbreking of een asymmetrie?
  7. Bij een fractuur; oriëntatie van fractuurlijn? intra- of extra-articulair? uitgebreidheid en positie (dislocatie/angulatie/rotatie/verkorting) Classificiatie?
  8. Veranderingen t.o.v. oude onderzoeken?

Pathologie

  • Luxatie

  • Fractuur (tuft fractuur, bokserfractuur, spiraalfractuur, CMC-I fractuur)

  • Skiduim

  • Volair avulsiefractuur

  • Extensorpeesletsels

  • Artrose

Luxatie

Luxaties van de metacarpofalangeale (MCP’s) en de interfalageale gewrichten (PIP’s & DIP’s) zijn makkelijk te herkennen (fig. 13).

College_Xhand_fig13_luxatieDigV_BLANCO.jpgCollege_Xhand_fig13_luxatieDigV_MET.jpg

 Figuur 13. Laterale opname en PA opname dig-V linker hand. Dorsale luxatie van het PIP gewricht. Laterale opname; merk de overlap op van de proximale falanx en de mid-falanx. 

Een luxatie van de carpometacarpale gewrichten (CMC’s) kunnen daarin tegen subtiel zijn op een röntgenfoto. CMC luxaties komen niet vaak voor, zijn vaak het gevolg van hoogenergetisch inwerkend geweld en gaan regelmatig gepaard met fracturen. Voor verdere evaluatie van de bijkomende fracturen is een CT onderzoek het gewenste onderzoek. 

Je moet bedacht zijn op een CMC luxatie wanneer (fig. 14):

  • De gewrichtsruimte aan de basis van de metacarpalia niet goed zichtbaar is.
  • Asymmetrie in gewrichtsruimte van de CMC-gewrichten.
  • Fracturen rondom de CMC-gewrichten (basis MC & carpalia).
  • Hamatum fractuur aan de dorsale zijde (zie m.n. oblique hand opname) is geassocieerd met CMC-V luxatie.
College_Xhand_fig14_luxatieCMC_BLANCO.jpgCollege_Xhand_fig14_luxatieCMC_MET.jpg

 Figuur 14. PA opname linker hand. Onderbreking van de zig-zag configuratie bij een luxatie van het CMC-V gewricht.

Fractuur

De positie van de hand en de richting van de kracht bepaalt het type fractuur. Bij elk fractuur dient bepaald te worden hoe de fractuurlijn loopt, de betrokkenheid van het gewricht (intra- vs. extra-articulair) en de mate van dislocatie/angulatie. Lees eventueel het College Fractuurleer onder Basiskennis.
Met merendeel van de fracturen in de hand betreft extra-articulaire schachtfracturen van de falangen en metacarpalia. Extra-articulaire fracturen met weinig tot geen dislocatie zijn over het algemeen stabiel en hebben een goede prognose.
Kennis van de aanhechtingen van pezen en ligamenten is essentieel bij de beoordeling van fracturen. Betrokkenheid van pezen/ligamenten kan namelijk gevolgen hebben voor de prognose en de behandeling. 
Het soort fractuur, de mate van dislocatie, eventuele betrokkenheid van pezen/ligamenten en algemene factoren (zoals leeftijd, gewenste functieniveau e.d.) zijn belangrijke factoren bij de keuze voor een conservatieve behandeling of een chirurgische behandeling.

Hieronder enkele veel voorkomende fracturen. 

Tuft fractuur (figuur 15):

Een tuft fractuur is een comminutief fractuur van de distale falanx en ontstaat meestal t.g.v. een crush letsel (bijv. vinger tussen de deur). Tuft fracturen zijn geassocieerd met subungale hematomen (= hematoom onder het nagelbed). Daarnaast moet je bedacht zijn op eventueel letsel aan de flexor/extensor pezen.

College_Xhand_fig15_Tuft_fractuur_BLANCO2.jpgCollege_Xhand_fig15_Tuft_fractuur_MET2.jpg

 Figuur 15. PA opname dig-V rechter hand. Tuft fractuur.

Spiraalfractuur (fig. 16) 

De spiraalfractuur van de falangen/metacarpalia is berucht voor de rotatie en verkorting die kan optreden. Met name bij dislocatie moet bedacht zijn op onstabiliteit.

College_Xhand_fig16_Spiraal_fractuur_BLANCO.jpgCollege_Xhand_fig16_Spiraal_fractuur_MET.jpg

 Figuur 16. PA opname en PA oblique opname linker hand. Spiraalfractuur MC-II.

Boksersfractuur

Een boksersfractuur is een transversaal metacarpale fractuur van de nek (= subcapitaal) en komt het vaakst voor in de 5e straal. Het klassieke mechanisme is een vuistslag tegen een persoon of harde ondergrond (zoals een muur). De axiale kracht bij geflexeerde hand veroorzaakt een boksersfractuur, hierbij disloceerd het distale deel (= het caput) vaak naar palmair (fig. 17). Ondanks de suggestie van de naam, komt de bokserfractuur niet specifiek vaker voor bij boksers.

College_Xhand_fig17_boxersfractuur_BLANCO2.jpgCollege_Xhand_fig17_boxersfractuur_MET.jpg

 Figuur 17. PA oblique opname en PA opname linker hand. Subcapitaal fractuur MC-V (= boksersfractuur).

Duimfractuur

Metacarpale fracturen in straal II t/m V bevinden zich met name in de schacht en de nek. In tegenstelling tot de duim, waarbij met name de basis aangedaan is. 
Een extra-articulair fractuur van MC-I verloopt over het algemeen transversaal of oblique (fig. 18/19).

College_Xhand_fig18_classificatie_basisMCIfracturen_extraArtiVersie2.jpg

Figuur 18. Transversaal & oblique extra-articulair fractuur basis metacarpale I (lateraal aanzicht).

College_Xhand_fig19_extraArticulairBasisMCI_BLANCO.jpgCollege_Xhand_fig19_extraArticulairBasisMCI_MET.jpg

 Figuur 19. Laterale opname en AP opname linker hand. Extra-articulair transversaal fractuur basis MC-I. 

De intra-articulaire fracturen van MC-I zijn onder te verdelen in een two-part (Bennett fractuur), three-part (Rolando fractuur) en een comminitief fractuur (fig. 20).
Een Rolando fractuur is three-part intra-articulair fractuur van basis MC-I en heeft een typische T of Y configuratie.  

College_Xhand_fig20_classificatie_basisMCIfracturenVersie2.jpg

Figuur 20. Intra-articulaire MC-I fracturen. Boven: lateraal aanzicht van Bennett fractuur (two-part), Rolando fractuur (three-part) en comminitief fractuur. Onder: het anterio-posterior aanzicht van Rolando fractuur type Y en T.

Bennett fractuur

Een Bennet fractuur is een intra-articulair fractuur aan de ulnaire zijde van de basis van MC-I. Een veelvoorkomend mechanisme is een axiale kracht waarbij een duim zich in een flexiestand bevindt, denk bijvoorbeeld aan een vuistslag.
Bij een Bennett fractuur leveren de m. adductor pollicus/ m. abductor pollicus longus een grote bijdrage aan de bijkomende dislocatie/rotatie (fig. 21).
De m. adductor pollicus is twee-koppige waaier-vormige spier aan de palmaire zijde van de hand en verzorgd de adductie van de duim. De m. adductor pollicus heeft zijn insertie op de mediale zijde van de basis falanx van de duim. 
De m. abductor pollicus longus verzorgd de abductie en flexie van de duim en heeft zijn insertie op de basis van MC I (radiaire zijde). Het kleine fragment aan de palmo-ulnaire zijde bij een Bennett fractuur blijft op zijn anatomische positie door de plaatselijke ligamenten. Het distale deel van de MC-I zal echter een adductie en supinatie beweging ondergaan (door m. adductor pollicus). Ook zal de MC-I als geheel naar proximaal verplaatst worden (door m. abductor pollicus longus).

College_Xhand_fig21_Bennettfractuur_BLANCO.jpgCollege_Xhand_fig21_Bennettfractuur_MET.jpg

 Figuur 21. Laterale opname dig-I linker hand. Bennet fractuur.

Rolando fractuur

Een Rolando fractuur kan beschouwd worden als een comminutieve versie van de Bennett fractuur (fig. 22). Ook hierbij kan er door de betrokkenheid van de m. adductor pollicus/ m. abductor pollicus longus een dislocatie/rotatie ontstaan.
Vergeleken met een Bennet fractuur heeft een Rolando fractuur een slechtere prognose.

College_Xhand_fig22_Rolando_fractuurPA_BLANCOVersie2.jpgCollege_Xhand_fig22_Rolando_fractuurPA_METVersie2.jpg

College_Xhand_fig22_RolandoFractuurDynamischVersieKlein.gif

  Figuur 22. AP opname (a) en CT scan (b) van de rechter hand (a) Rolando fractuur, type Y. 

Skiduim

Bij een skiduim is er sprake van bandletsel (verrekking/ruptuur) aan het ulnaire collaterale ligament van het MCP-I gewricht. Het bandletsel ontstaat door een geforceerde abductie van de duim en kan uiteindelijk voor instabiliteitsklachten zorgen. Dit kan zowel worden veroorzaakt door een acuut letsel (blijven haken in skistok/balsporten) als t.g.v. chronisch letsel (herhaaldelijk oprekken gewrichtsband).
De skiduim is ook wel bekend als een gamekeeper’s thumb (jachtopzienersduim). In de 18e en 19e eeuw moesten de Engelse gamekeepers de nek breken van konijnen, dit veroorzaakte chronische stress op het ulnaire collaterale ligament.
Een ruptuur van het ulnaire collaterale ligament kan gepaard gaan met een avulsie fragment. Wanneer de kracht groot genoeg is kan het avulsiefragment door de adductor aponeurose (aponeurose = peesblad) schieten. De adductor aponeurose bevindt zich dan tussen het avulsiefragment en de aanhechtingsplaats. Dit wordt een Stener laesie genoemd. Een Stener laesie zal niet uit zichzelf genezen en is een indicatie voor een operatieve behandeling.

College_Xhand_fig23_SkiersThumb_dynamisch.gif

 Figuur 23. Skiduim & Stener laesie. UCL = ulnaire collaterale ligament.

Volair avulsiefractuur

Een avulsiefractuur is een fractuur ter plaatse van een peesaanhechting. Hierbij wordt het stuk bot bij de aanhechtingsplek losgetrokken door de pees/spier (teveel trekkracht op het bot).
Een volair avulsiefractuur ontstaat door een geforceerde hyperextensie van de vinger. 
Het losse fragment is over het algemeen alleen op de laterale opname zichtbaar en betreft vaak het PIP gewricht (fig. 24). Overigens hoeft er bij een volair plaatletsel niet altijd een avulsiefractuur aanwezig te zijn, maar kan er ook sprake zijn van partieel/volledig peesletsel (klinisch verminderde/afwezige flexiefunctie).
De stabiliteit van het gewricht is verloren. Uiteindelijk kan de extensorpees (bij gebrek aan weerstand van de flexorpees) zorgen voor hyperextensie deformatie van de vinger. 

College_Xhand_fig24_VolairFractuur_BLANCO2.jpgCollege_Xhand_fig24_VolairFractuur_MET2.jpg

 Figuur 24. Laterale opname dig-V linker hand. Volair avulsiefractuur PIP-gewricht met forse proximale dislocatie. FDS = flexor digitorum superficialis.

Extensorpeesletsels

Mallet finger

Bij een Mallet vinger is er sprake van een avulsie van de extensorpees op de distale falanx (fig. 25). De peesruptuur maakt dat er geen actieve extensie meer mogelijk is. De distale falanx kan hierdoor in flexiestand komen te staan.
Het kan zowel gaan om een pure ligamentair avulsie (= tendineuze Mallet), al dan niet in combinatie met een ossale avulsie (= ossale Mallet).
NB: het ontbreken van een fractuur sluit dus niet een Mallet vinger uit. De extensiefunctie van het DIP-gewricht moet hiervoor klinisch beoordeeld worden.

College_Xhand_fig25_tendineuze_MalletFractuur_BLANCO2.jpgCollege_Xhand_fig25_tendineuze_MalletFractuur_MET2.jpg

 Figuur 25. Laterale opname dig-V rechter hand. De flexiestand van het DIP gewricht en het onvermogen tot extensie zijn tekenen van een tendineuze Mallet vinger.

Bij ongeveer 1/3 is er sprake van een ossale avulsie (fig. 26).
Mallet finger is de Engels benaming voor hamervinger, soms ook wel dropped finger of baseball finger genoemd. Het traumamechanisme omvat vaak een bal trauma waarbij het DIP gewricht een geforceerde hyperflexie beweging maakt.

College_Xhand_fig26_MalletFractuur_BLANCO.jpgCollege_Xhand_fig26_MalletFractuur_MET.jpg

 Figuur 26. Laterale opname dig-V rechter hand. Ossale Mallet vinger met dislocatie naar dorsaal.

Boutonnière deformatie

Een boutonnière deformatie is ook wel bekend als een knoopsgat deformatie.
Het betreft een standsafwijking welke gekenmerkt wordt door een flexiestand van het PIP gewricht en een hyperextentie stand van het DIP gewricht. Deze deformatie ontstaan typisch na een ruptuur van de centrale slip van de extensorpees, bijv. ten gevolge van een fractuur of een volaire luxatie). Andere oorzaken zijn artrose en reumathoide artritis. 
Een ruptuur van de centrale slip zorgt ervoor dat het PIP gewricht in lichte flexie komt te staan. De laterale slips zullen naar palmair van de oorspronkelijke draaias migreren en uiteindelijk een hyperextensie stand geven aan het DIP gewricht (fig. 27).

College_Xhand_fig27_BoutouniereDeformatie_DynamischVersie3.gif

 Figuur 27. Boutonnière deformatie bij een ruptuur van de centrale slip van de extensorpees.

Artrose

Bij artrose is er sprake van slijtage van het kraakbeen. De bijkomende klachten zijn divers. De patiënt kan klachten hebben van progressieve belastingsafhankelijke pijn en/of verminderde functie.
De artrose kan primair zijn waarbij er geen duidelijke aanwijsbare oorzaak is. Secundaire artrose kan ontstaat na bijvoorbeeld een fractuur. Persisterende instabiliteitsklachten  en gewijzigde krachtoverdracht over gewrichten kunnen bij fracturen op de lange termijn leiden tot degeneratieve veranderingen.  
Radiologische kenmerken artrose:

  • Versmalling van de gewrichtsspleet (t.g.v. kraakbeenverlies).
  • Subchondrale sclerose (toegenomen botproductie t.g.v. verhoogde druk bij kraakbeenverlies).
  • Osteofytvorming (botwoekeringen die trachten het gewrichtsoppervlakte te vergroten).
  • Subchondrale cysten (t.g.v. microfracturen van het subchondrale bot en de druk van het synoviale vocht).

Primaire artrose in de hand komt met name voor in de interfalangeale gewrichten (PIP’s & DIP’s), het CMC-I gewricht en het scaphoïd-trapezium-trapezoid gewricht (STT-gewricht). De MCP gewrichten zijn, met name in het beginstadium, minder vaak aangedaan.

Er bestaat ook een erosieve vorm van arthrose, hierbij zijn ook erosieve veranderingen aanwezig in het gewricht. Dit kan snel progressief zijn,Deze vorm van arthrose komt vooral in de DIP gewrichten voor (itt reumatoide arthrose) bij vrouwen op gevorderde leeftijd.

College_Xhand_fig28_Artrose_BLANCO2.jpgCollege_Xhand_fig28_Artrose_MET2.jpg

 Figuur 28. Artrose van de DIP gewrichten en in mindere mate ook van de PIP gewrichten (links) vs. normale PIP/DIP gewrichten (rechts).

College_Xhand_fig29_Artrose_STTgewricht_BLANCO.jpgCollege_Xhand_fig29_Artrose_STTgewricht_MET.jpg

 Figuur 29. Artrose van het CMC-I gewricht en scaphoïd-trapezium-trapezoid gewricht (STT gewricht). Aan de rechterzijde een normaal CMC-I en STT gewricht.

 

Bronnen

  • B.J. Manaster et al. The Requisites – Musculoskeletal Imaging. 2007.
  • N. Raby et al. Accident & Emergency Radiology – A Survival Guide. 2005.
  • R.W.Bucholz Rockwood & Green’s Fracturen in Adults. 2006.
  • Prof.dr. J.A.N. Verhaar, dr. J.B.A. van Mourik. Orthopedie. 2008.
  • K.L. Bontrager, J.P. Lampignano. Textbook of Radiographic Positioning and Related Anatomy. 2014 (8th edition).

Auteur

  • Annelies van der Plas, AIOS radiologie LUMC

  • Prof. dr. J.L. Bloem, skeletradioloog LUMC

Met dank aan dhr. S. Challiui (Advanced Practioner Radiologie LUMC) & dhr. A. Bubberman (Advanced Practioner Radiologie LUMC) 

20 juli 2014.

Test Jezelf

Test Jezelf