X-heup

Indicatie/techniek

Indicatie

Een X-heup onderzoek wordt hoofdzakelijk aangevraagd voor het aantonen/uitsluiten van een fractuur. Ook bij chronische heupklachten, denk bijvoorbeeld aan artrose, is een X-heup een goed onderzoek om mee te beginnen.  

Techniek

Het heupgewricht kan op verschillende manieren afgebeeld worden. Een standaard X-heup onderzoek bestaat normaal gesproken uit een anteroposterior (AP) opname en een laterale opname. Idealiter zijn op de AP opname beide heupgewrichten afgebeeld (dus eigenlijk een X-bekken), zodat er vergeleken kan worden met de andere heup. Voor de laterale richting kan gekozen worden voor een axiolaterale opname of een frog leg laterale opname.
Hieronder worden de verschillende richtingen nader toegelicht.

AP opname

De patiënt ligt op zijn/haar rug en de röntgenstralen zullen het heupgewricht van anterior naar posterior passeren (fig. 1). Het been wordt 15 ˚ - 20˚ intern geroteerd om femorale anteversie te bewerkstelligen. Op deze manier zal de het collum (= nek) meer op lengte komen en beter beoordeelbaar zijn. Wanneer het been extern geroteerd is zal het trochanter major over het collum projecteren en komt het trochanter minor beter in beeld (fig. 2).

Figuur 1. Techniek AP opname X-heup.

Figuur 2. Weergave van de heup bij interne rotatie en externe rotatie. Merk op dat het collum beter beoordeelbaar wordt bij interne rotatie doordat het trochanter major niet over het collum heen projecteert. 

Laterale opname

Er zijn meerdere technieken voor het maken van een laterale opname. De meeste gebruikte opnames zijn een axiolaterale opname, de frog leg laterale opname en de Lauenstein opname. 

Axiolaterale opname

De patiënt ligt op zijn/haar rug. De niet-aangedane heup wordt geabduceerd en opgetild (m.b.v. een kussen/blok als ondersteuning). Op deze manier kan vanuit mediaal de aangedane heup afgebeeld worden (fig. 3). Het röntgenapparaat wordt op een manier gepositioneerd dat de röntgenstralen zuiver het collum passeren (horizontale stralenbundel); het collum wordt op deze manier zo goed mogelijk vrijgeprojecteerd en er zal zo min mogelijk overprojectie zijn van het trochanter minor/major.
Het grote voordeel is dat de patiënt het pijnlijke been plat kan laten liggen. Bij trauma en of immobiele/postoperatieve patiënten is de axiolaterale opname daarom de eerste keus wat betreft een laterale opname.

Figuur 3. Techniek axiolaterale opname X-heup.

Frog leg laterale opname

De heup wordt abduceerd (circa 45˚) bij een knie in flexiestand (circa 30˚- 45˚). De voet kan rusten op de binnenzijde van de contralaterale knie (fig. 4). De röntgenstralen passeren de heup van mediaal naar lateraal.
Het is ook mogelijk beide heupgewrichten met deze techniek af te beelden; dit is zogenaamde Lauenstein opname (= kikkeropname). De voeten zullen tegen elkaar aan staan (fig. 5). Deze opname is met name nuttig om de vorm van de femurkoppen te beoordelen en kop/nek overgang; bijv. bij de vraagstelling epifysiolyse en de ziekte van Perthes (= avasculaire necrose).

Figuur 4. Techniek frog leg laterale opname. 

Figuur 5. Techniek Lauenstein opname. 

NB Het is belangrijk dat frog leg laterale opname/Lauenstein opname niet verricht wordt bij een verdenking op een fractuur of heupluxatie. Dit is namelijk erg pijnlijk en kan complicaties geven met betrekking tot fractuur/luxatie.

Normale anatomie

Het proximale femur bestaat uit de proximale femurschacht, trochantermassief (trochanter major/minor), collum femoris en het caput femoris. Het heupgewricht is een kogelgewricht met een kop (= caput femoris) en een kom (= acetabulum). Het acetabulum wordt gevormd door een drietal samengegroeide ossale structuren; os ilium, os ischii en het os pubis (volledige benige fusie vindt plaats rond 20-25 jarige leeftijd).

De arterie in het ligamentum teres verzorgd de femurkop van bloed, echter de belangrijkste  bloedvoorzieners zijn de mediale/laterale femorale circumflex arteriën afkomstig van de a. femoralis profunda (AFP) (fig. 6).

Figuur 6. Vascularisatie heup.

Het ligamentum teres is een intra-articulaire ligamentaire structuur die het acetabulum met de heupkop (via fovea capitis femoris) verbindt. De exacte relevantie en functie van het ligament is nog niet geheel duidelijk. Een van de theorieën is dat het ligament een stabiliserende functie heeft en dat bij een ruptuur er instabiliteitsklachten kunnen ontstaan.

Het heupgewricht wordt omgeven door een stevig gewrichtskapsel. Het kapsel omvat het heupgewricht en een groot deel van het collum (fig. 7). Daarnaast zorgen meerdere ligamenten en spieren voor extra stabiliteit.

Figuur 7. Anatomie gewrichtskapsel heup.

AP opname

Het trochantermassief bevat het trochanter major en trochanter minor. Beide zijn posterieure structuren; het trochanter major bevindt zich aan de posterolaterale zijde en het trochanter minor aan de posteromediale zijde.
Wanneer de heup intern geroteerd wordt zal het trochanter major minder over het collum femoris projecteren en zijn de contouren van het trochanter major en het collum femoris beter zichtbaar (fig. 8). Het tegenovergestelde zal optreden met het trochanter minor; deze wordt beter zichtbaar bij externe rotatie en minder goed zichtbaar bij interne rotatie.

Figuur 8. AP opname linker heup in externe rotatie en interne rotatie. Merk de verschillen qua zichtbaarheid op van het collum en het trochanter major/minor bij de verschillende technieken. 

Het is wenselijk een goede uitspraak te kunnen doen over het collum femoris en het trochanter major, daarom wordt een standaard AP opname altijd gemaakt in 15˚ - 20˚ interne rotatie (zie ook onderdeel techniek).
Een normale femurkop heeft gladde contouren en is bedekt met kraakbeen (NB het kraakbeen zelf is niet zichtbaar op een röntgenfoto). Aan de mediale zijde is een kleine impressie in de femurkop; fovea capitis femoris. Het fovea is niet bedekt met kraakbeen en bevat het ligamentum teres en de arterie ligamentum teres. 
Bij een normaal heupgewricht wordt de gehele femurkop bedekt door het acetabulum dak (goede overhuiving). De anterieure wand en posterieure wand van het acetabulum projecteren over de femurkop en zijn soms wat moeilijk te vervolgen op de AP opname (fig. 9).

Figuur 9. Normale anatomie AP opname linker heup.

Lijnen op de AP opname

Op de AP opname zijn enkele behulpzame lijnen herkenbaar om normale anatomie van pathologie te onderscheiden (fig. 10):

  • iliopectineale lijn/iliopubische lijn: lijn aan de binnenzijde van het os ilium, aan de onderzijde doorlopend langs de craniale begrenzing van het ramus superior os pubis. 
  • ilioischiale lijn: verloopt langs de binnen begrenzing van het os ilium, aan de onderzijde (via de tear drop configuratie) doorlopend langs de mediale zijde van het os ischium. 
  • shenton lijn: een denkbeeldige lijn aan de onderzijde van het ramus superior os pubis, doorlopend langs de inferomediale zijde van het collum femoris. 
  • tear drop: bevindt zich aan de mediale zijde van de femurkop en staat ook bekend als de U-figuur. De laterale lijn wordt gevormd door de corticale begrenzing van het acetabulum en de mediale lijn door de corticale mediale begrenzing van het acetabulum (= quadrilaterale plaat, dit is de begrenzing met het kleine bekken), zie ook figuur 11.
  • anterieure/posterieure wand acetabulum: deze lijnen worden gevormd door de laterale begrenzingen van resp. het anterieure en posterieure acetabulum. Ze projecteren over de femurkop en zijn soms wat moeilijk te vervolgen.

De bovenstaande lijnen dienen glad en ononderbroken te zijn. Bij een afwezige of afwijkende lijn dient men bedacht te zijn op lokale pathologie; zoals een fractuur of een ossale laesie.

Figuur 10. De iliopectineale lijn, ilioischiale lijn, tear drop en shenton lijn op een AP opname linker heup.

Figuur 11. Illustratie hoe de radiologische tear drop (U-figuur) wordt gevormd; bij een AP opname is in sagittale richting te zien dat de cortex van het acetabulum ende quadrilaterale plaat samen de tear drop configuratie creëren. 

Trabeculatie patroon

Bij het collum femoris kan ook nog gekeken worden naar het trabeculatie patroon. De trabekels (= botbalkjes) in het bot bieden ondersteuning bij stress en ontwikkelen zich in een patroon gerelateerd aan de mate van stress; de trabeculatie neemt toe in gebieden met veel stress. 
Aan de onderzijde van het collum is een radiolucent gebied (gelegen tussen de 3 trabeculatie bundels). Dit anatomische gebied bevat relatief weinig trabeculatie, wordt Ward’s triangle genoemd en dient niet verward worden met een osteolytische laesie (fig. 12).
Ook het trochanter major en het craniolaterale&inferomediale deel van de femurkop zijn wat lucenter door relatief verminderde trabeculatie; dit is fysiologisch. 
Bij een normale heup lopen de bottrabekels vloeiend ononderbroken door. Bij een onderbreking moet je bedacht zijn op een fractuur (zie onderdeel Pathologie).

Figuur 12. Normaal trabeculatiepatroon van het collum en het caput femoris.

Laterale opname

Op de axiolaterale opname zal getracht worden het collum zou goed mogelijk in beeld te krijgen (fig. 13).

Figuur 13. Normale anatomie axiolaterale opname linker heup.

De frog-leg opname is met name nuttig om de vorm van de femurkop te beoordelen en kop/nek overgang (fig. 14).

Figuur 14. Normale anatomie frog-leg opname linker heup.

Stappenplan

De onderstaande punten kunnen gebruikt worden als leidraad voor het beoordelen van een X-heup onderzoek. 

Algemeen:

  1. Techniek: is alles goed afgebeeld en goed te beoordelen? Kan de vraagstelling beantwoordt worden? 
  2. Kalkhoudendheid van het bot? Ossale laesies?
  3. Controleer de cortex; cortexonderbrekingen? cortexdestructie? 
  4. Normaal verloop trabeculatiepatroon femurkop/collum?
  5. Afwijkende iliopectineale lijn, ilioischiale lijn, tear drop of shenton lijn? 
  6. Heupgewricht: stand? artrose? Evt. asymmetrisch t.o.v. andere heup?
  7. Afwijkingen buiten het heupgewricht? 
  8. Veranderingen t.o.v. oude onderzoeken?

Pathologie

  • Proximale femurfracturen

  • Avasculaire necrose

  • Acetabulum fractuur

  • Heupluxatie

  • Artrose

  • Heupprothese

 

Proximale femurfracturen

Proximale femurfracturen komen met enige regelmaat voor bij oudere patienten met osteoporose en kunnen dan al ontstaan door een simpele val. Bij jonge mensen is vaker sprake van een hoogenergetisch trauma als oorzaak. 
De klassieke klinische presentatie van een proximaal femurfractuur is een verkorting en exorotatie stand van het desbetreffende been.
 
Kenmerken proximaal femurfractuur:

  • het trochanter minor is beter zichtbaar door de exoratie stand van het been
  • cortexonderbreking en/of fractuurgap 
  • een onscherpe dense (‘witte’) lijn bij een geïmpacteerd fractuur
  • verstoring van de bottrabeculatie in femurkop/collum
  • verstoring van de Shenton lijn

De proximale femurfracturen kunnen op de volgende manier opgedeeld worden (fig.15):

  1. collumfractuur (= intracapsulair fractuur)
  2. pertrochantair/intertrochantair fractuur
  3. geïsoleerd fractuur van het trochanter major & minor
  4. subtrochantair fractuur

Figuur 15. Overzicht proximaal femurfractuur type.

Intracapsulaire fracturen

Het collum femoris is het zwakste punt van het proximale femur, betreft een intracapsulair fractuur en is eventueel verder onder te verdelen in subcapitaal, midcervicaal en basicervicaal type (fig. 15).
Bij intracapsulaire fracturen is er een hoog risico op schade aan de incapsulaire bloedvaten. Dit kan leiden tot devascularisatie van de femurkop en uiteindelijk tot avasculaire necrose. Zowel de verstoorde bloedvoorziening en de geringe intrinsieke stabiliteit maakt dat intracapsulaire fracturen, t.o.v. extracapsulaire fracturen, ook een grotere kans hebben op non-union/malunion.

De Garden classificatie is een veel gebruikte classificatie voor collumfracturen (fig. 16):

  • Garden I: incomplete fractuur met bijkomend enige valgusstand van de femurkop. Door de valgusstand is er een onderbreking/verstoring van het trabeculatiepatroon in de kop/nek (fig. 17).Ook valgus geimpacteerde fracturen vallen onder type I.
  • Garden II: compleet subcapitaal fractuur zonder dislocatie. Door de anatomische positie van de kop is er geen verstoring van het trabeculatiepatroon in de kop/nek (fig. 18).
  • Garden III: comleet subcapitaal fractuur met enige dislocatie. De kop toont enige varus angulatie.
  • Garden IV: compleeet subcapitaal fractuur met volledige dislocatie (fig. 19).

Figuur 16. Garden classificatie.

Figuur 17. Collumfractuur type Garden I. Met name op de AP opname is de cortexonderbreking en de impactie (= onscherpe dense lijn) zichtbaar. Er is een subtiele verstoring van het trabeculatiepatroon en gering valgus stand van de femurkop.

Figuur 18. Collumfractuur type Garden II (volledig fractuur zonder dislocatie).

Figuur 19. Collumfractuur type Garden IV met craniale verplaatsing van het femur.

Extracapsulaire fracturen

Pertrochantaire femurfracturen bevinden zich tussen het trochanter major en minor. Deze fracturen gaan vaak gepaard met aanzienlijke dislocatie (mede door tractie van de spieren) en zullen daarom vrijwel altijd operatief behandeld worden (fig. 20). 
Het risico op avasculaire necrose van de femurkop is kleiner t.o.v. de intracapsulaire fracturen. 
Wanneer het trochanter major en minor niet separaat gefractureerd zijn spreken we van een intertrochantair femurfractuur.
Een geïsoleerd fractuur van het trochanter major kan het gevolg zijn van een direct trauma. 
Een geïsoleerd fractuur van het trochanter minor is zeldzaam en kan voorkomen als een avulsiefractuur van de m. iliopsoas op kinderleeftijd. Belangrijk: wees bij volwassenen met een geïsoleerd trochanter minor fractuur altijd op je hoede voor een eventueel pathologisch fractuur (zoals een botmetastase).

Figuur 20. Pertrochantair femurfractuur. 

Subtrochantaire fracturen

Dit type fractuur is meestal het gevolg van een hoogenergisch trauma bij jonge patienten. De fractuur bevindt zich caudaal van het trochantermassief. 
Ook kan er sprake zijn van een gecombineerd intertrochantair/subtrochantair femurfractuur (fractuur omvat zowel het trochantermassief als de subtrochantaire regio), zie figuur 21. Door de grote mechanische krachten van het lichaam is er vaak sprake van een instabiele fractuur en zal gekozen worden voor interne fixatie.

Figuur 21. Communitief proximaal femurfractuur bestaande uit een gecombineerd intertrochantair/subtrochantair femurfractuur.

Let op:
Soms kan de proximaal femurfractuur heel subtiel zijn, m.n. als het gaat om geïmpacteerde collum fracturen (fig. 22). Osteofyten (‘osteofytenkraag’) bij coxartrose kan makkelijk aangezien worden voor een collumfractuur (en vice-versa). 
Bij twijfel op de X-heup en een sterke klinische verdenking kan voor verdere analyse een CT scan gemaakt worden.

Figuur 22. Voorbeeld van een gemist geïmpacteerd collum fractuur. Een nieuwe opname na 3 weken i.v.m. persisterende heupklachten toont een duidelijk collum fractuur met dislocatie (Garden type III).

Het type fractuur, de mate van dislocatie en de leeftijd van de patient zijn belangrijke factoren die de uiteindelijke behandeling bepalen. 
De in valgus geïmpacteerde collum fracturen (Garden I) zijn relatief stabiel en worden nog wel eens conservatief behandeld (hierbij speelt de ervaring/voorkeur van de operateur ook een rol). Bij een conservatief beleid moet altijd rekening gehouden worden met het risico op secundaire verplaatsing.
Bij een operatieve behandeling kan gekozen worden tussen fixatie met osteosynthese (een plaat-schroefcominatie of geïsoleerde schroeven) of een prothetische vervanging van het heupgewricht (kop-halsprothese, totale heupprothese).

Avasculaire necrose

Een beruchte complicatie van een collumfractuur is avasculaire necrose (AVN) van de femurkop. Door traumatische schade aan de voedende arterien zal er osteonecrose ontstaan.
De niet-traumatische vorm van AVN kan vele oorzaken hebben; o.a. hematologische aandoeningen (zoals thalassemie en sikkelcelziekte), chronisch corticosteroiden gebruik en chronisch nierfalen.
Radiologische kenmerken AVN femurkop (fig. 23/24):

  • stadium 1: normaal / milde osteopenie als teken van botresorptie
  • stadium 2: mengbeeld van osteopenie/sclerose en/of subchondrale cysten
  • stadium 3: crescent sign (lineaire subchondrale lucentie) en/of corticale collaps
  • stadium 4: secundaire artrose heupgewricht

NB in de beginfase kunnen de röntgen opnames nog normaal zijn. Op dit moment kunnen de afwijkingen al wel te zien zijn op een MRI onderzoek (dit onderzoek zal in dit college niet verder besproken worden).

Figuur. 23. Stadia van de avasculaire necrose (AVN) op de X-heup. NB bij stadium I kan de X-heup ook volledig normaal zijn.

Figuur 24. AP opname rechter heup. Avasculaire necrose rechter femurkop; mengbeeld van sclerose en subchondrale lucenties, samengaand met corticale collaps van de femurkop (= stadium III). 

Acetabulum fractuur

Acetabulum fracturen zijn meestal het gevolg van hoogenergische traumata.
De preciese classificatie van acetabulum fracturen is complex (CT onderzoek voor nodig!) en zal verder buiten beschouwing gelaten worden. Grofweg wordt er een onderscheid gemaakt tussen fracturen van het posterieure en anterieure acetabulum. Dislocatie of onregelmatigheid van het gewrichtoppervlakte zal uiteindelijk leiden tot vroegtijdige artrose (het risico op artrose is sterk afhankelijk van het type acetabulum fractuur). 

Kenmerken acetabulum fractuur op X-heup/bekken (fig. 25/26):

  • verstoring iliopectineale lijn/iliopubische lijn 
  • verstoring ilioischiale lijn
  • verstoring of asymmetrie(t.o.v. contralaterale zijde) van tear drop configuratie
  • verstoring van anterieure/posterieure wand lijnen

Figuur 25. AP opname rechter heup. Acetabulum fractuur rechts waarbij er een onderbreking/verstoring is van de iliopectineale lijn en de ilioischiale lijn. Ter hoogte van de witte pijl is ook botfragment zichtbaar die uitsteekt.

Figuur 26. CT scan acetabulum fractuur  in coronale richting (patiënt van fig. 25). Merk op dat het aantal fractuurlijnen veel uitgebreider is dan het X-bekken onderzoek doet vermoeden.

Heupluxatie

Heupluxaties zijn zeldzaam en zijn meestal het gevolg van een hoogenergistisch trauma. Een bekend mechanisme is de zogenaamde ‘dashboard fractuur’; de persoon in de auto botst met een geflecteerde knie tegen het dashboard aan. Naast een posterieure heupluxatie is er ook vaak een fractuur van het posterieure acetabulum.
Er is vrijwel altijd (90%) sprake van een posterieure heupluxatie. 

Radiologische kenmerken posterieure heupluxatie (fig. 27):

  • femurkop bevindt zich posterieur en superior t.o.v. het acetabulum
  • trochanter major wordt vaak vrijgeprojecteerd (t.g.v. interne rotatie van het femur)
  • femurkop is iets kleiner t.o.v. contralaterale zijde doordat deze dichter bij de plaat is (kleinere vergrotingsfactor bij divergerende röntgenstralen)

De geluxeerde heup dient zo snel mogelijk gereponeerd te worden, hoe langer de heup geluxeerd is hoe groter het risico dat er uiteindelijk avasculaire necrose van de femurkop optreedt.

Figuur 27. Posterieure heupluxatie.

Coxartrose

Artrose is een complexe aandoening gekarakteriseerd door synovitis, slijtage van het kraakbeen, reactieve beenvorming (osteofyten) en subcondrale afwijkingen. De bijkomende klachten zijn divers. De patiënt kan klagen over progressieve belastingsafhankelijke pijn en/of verminderde functie van de heup. Artrose in de heup wordt coxartrose genoemd. 
De artrose kan primair zijn waarbij er geen duidelijke aanwijsbare oorzaak is. Secundaire artrose ontstaat na bijvoorbeeld een fractuur.
Radiologische kenmerken artrose (fig. 28):

  • Versmalling van de gewrichtsspleet t.g.v. kraakbeenverlies
  • Subchondrale sclerose (toegenomen botproductie t.g.v. verhoogde druk bij kraakbeenverlies)
  • Osteofytvorming (botwoekeringen die het trachten het gewrichtsoppervlakte te vergroten)
  • Subchondrale cysten (t.g.v. microfracturen van het subchondrale bot en druk van het synoviaal vocht)

Figuur 28. AP opname van de rechter heup. Coxartrose.

Heupprothese

Bij invaliderende coxartrose kan gekozen worden de patient te behandelen met een heupprothse. In het merendeel van de gevallen wordt zowel het acetabulum als het femur vervangen; de totale heupprothese (THP). Er kan gekozen worden voor een gecementeerde THP en een ongecementeerde THP.
Op hogere leeftijd (en een beperkte levensverwachting) kan in het geval van een collum fractuur als behandeling volstaan worden met alleen een kop-halsvervanging; de kop-hals prothese (KHP). Bij een KHP wordt alleen de heupkop verwijderd en zal het acetabulum behouden blijven. Zie figuur 29.

Figuur 29. Totale heup prothese (THP) vs. Kop-hals prothese (KHP).  

Luxatie heupprothese

Een van de complicaties die kan optreden bij een heupprothese is een luxatie (fig. 30). Net zoals bij een normale heup zal er bij een heupprothese in het merendeel van de gevallen een luxatie optreden naar posterior (zie ook onderdeel ‘heupluxatie’). Provocerende momenten zijn o.a. het opstaan uit een diepe stoel, draaibewegingen en schoenen aantrekken. 
Meestal kan de heup onder lichte spierrelaxatie gereponeerd worden. Mocht dit niet lukken dan kan gekozen worden voor repositie onder narcose.
Bij recidiverende heupluxaties kan een re-operatie overwogen worden voor een revisie van de heupprothese.

Figuur 30. AP en axiolaterale opname linker heup. Er is sprake van een posterieure luxatie van de totale heup prothese (THP), waarbij de kop zich posterieur en superior van de cup bevindt.

Loslating/infectie heupprothese

Ondanks alle voorzorgmaatregelen kan er een infectie ontstaan bij de prothese. De klachten van de patient kunnen vaag en moeilijk te plaatsen zijn.
De infectie kan zich soms manifesteren met het beeld van prothese loslating. 

Kenmerken loslating heupprothese X-heup:

  • lucente zone van > 2 mm rondom het prothese materiaal
  • migratie prothese 

Kenmerken infectie heupprothese X-heup (fig. 31):

  • onscherpe periprothestische botresorptie 
  • irregulaire botdestructie en periostreactie

Figuur 31. AP opname van een gecementeerde kop-hals prothese (KHP). De onscherpe periprothestische botresorptie en periostreactie duiden op een infectie van de KHP. De opname aan de rechterzijde betreft de eerst postoperatieve opname na plaatsing van de KHP en laat nog geen tekenen van infectie zien.

NB bij een low grade infectie kan de röntgenopname normaal zijn of een loslating beeld simuleren.

Alle bovenstaande kenmerken kunnen heel subtiel zijn, daarom is een goede evaluatie van oude onderzoeken essentieel.

Bij een ernstige infectie dient de prothese verwijderd te worden en wordt de heup in een kop-halsloze toestand achtergelaten; de zogenaamde ‘girdlestone’ situatie.

Periprothetisch fractuur

Bij elke soort prothese kan een fractuur optreden. Meestal gaat het om traumatische fracturen (fig. 32). Een fractuur kan ook intra-operatief ontstaan (bijv. bij zwak osteoporotisch bot), dit is echter veel zeldzamer.
Afhankelijk van het type fractuur zal er wel/geen operatieve behandeling plaatsvinden.

Figuur 32. Traumatisch periprothestische fractuur t.h.v. de steel van de totale heupprothese.

Bronnen

  • B.J. Manaster et al. The Requisites – Musculoskeletal Imaging. 2007
  • N. Raby et al. Accident & Emergency Radiology – A Survival Guide. 2005.
  • K.L. Bontrager, J.P. Lampignano. Textbook of Radiographic Positioning and Related Anatomy. 2014 (8th edition)
  • Seung-Jae Lim, MD, Yoon-Soo Park, MD. Plain Radiography of the Hip: A Review of Radiographic Techniques and Image Features. Hip&Pelvis 2015.
  • L. Cerezal et al. Anatomy, Biomechanics, Imaging and Management of Ligamentum Teres Injuries. Radiographics 2010

Auteur

Tekst & Illustraties:

  • Annelies van der Plas, skeletradioloog LUMC

20/12/2017

Test Jezelf

Test Jezelf